in Dieren en religie

Voer tot nadenken…

Fotograaf Onbekend / Instituut voor Sociale Geschiedenis [Public domain]

Geene openbaring zal ons ooit mededelen dat een dier met den mensch gelijk is, voor ons is het geen subject maar een object van regt.” Deze woorden gebruikte Alexander de Savornin Lohman tijdens het debat in de Tweede Kamer over de strafbaarstelling van dierenmishandeling. Dit was ergens rond 1880. De door Willem Bilderdijk vertaalde Franse Code pénal moest vervangen worden door de eerste versie van het huidige Wetboek van Strafrecht. Alexander pleitte dat dieren geen rechten hadden omdat ze verschillend zijn. Deze conclusie was geïnspireerd op de Bijbel. Dat is niet verwonderlijk, want de Bijbel heeft lange tijd als religieus moreel richtsnoer gegolden (Verdonk, 2016). De invloed van de Bijbel is nu nog goed voelbaar, denk maar aan hoe we onze scholen hebben ingericht. In de blog van vandaag, op deze Hemelvaartsdag, wil ik daarom wat visies uit de Bijbel over dieren en dierenrechten bespreken.

Dieren nemen in de Bijbel opvallend een grote plaats in. Het illustreert dat het dierenleven dichter bij het alledaagse leven van de Israëliet stond dan bij het leven in onze moderne samenleving (Graafland, 2015).  Meteen in het eerste Bijbelboek, Genesis 1, kunnen we lezen hoe God de aarde schept in een paar dagen. De volgorde waarin alles verschijnt is belangrijk. Zo mogen als eerste de vogels en zeedieren de aarde bevolken op de vijfde dag:

En God zei: “Ik wil dat het water vol zit met dieren en dat er in de lucht boven de aarde vogels vliegen.” Toen maakte God de grote en kleine zeedieren. Het water krioelde ervan. Hij maakte alle dieren verschillend, allemaal verschillende soorten. Ook maakte Hij allerlei vogels, allemaal verschillende soorten. En God zag dat het goed was.  God zegende al die dieren en zei: “Krijg veel jongen, zodat er heel veel van jullie komen. De zee moet vol worden met zeedieren en de aarde moet vol worden met vogels.” Toen werd het avond en weer ochtend: de vijfde dag was voorbij (Gen.1:20-22). (BasisBijbel, sd).

Op de zesde dag wordt de mens geschapen, maar daarvoor eerst de landdieren: En God zei: “Ik wil dat er uit de aarde allerlei dieren ontstaan, allemaal verschillende soorten. Wilde dieren, vee, kruipende dieren, allemaal verschillende soorten.” Wat Hij zei, gebeurde. God maakte de wilde dieren, het vee en de kruipende dieren, allemaal verschillende soorten. En God zag dat het goed was. (Gen. 1:24-25) (BasisBijbel, sd)

Bij de lezing van Genesis komt naar voren dat de dieren in de zee, de lucht en op het land een groot onderdeel uitmaken van de schepping zoals God die in zijn hoofd had. Hij heeft veel plezier in Zijn schepping, want elke vers eindigt met de conclusie: “En God zag dat het goed was.” Voor Hem is dat wat Hij in al zijn diversiteit geschapen heeft van grote betekenis. Hij geniet van de overvloed van het dierenleven, de variatie erin, van zeemonsters tot de kleine mier die op de grond rondscharrelt. God vergenoegt Zich in de schoonheid van wat Hij heeft gemaakt en de diversiteit ervan. Hij wil dat het zich vermenigvuldigt. Het is hierbij interessant op te merken dat Genesis 1 hiermee een reden aandraagt voor het behoud van biodiversiteit die in de gangbare ethische theorieën, zoals het utilisme, nagenoeg ontbreekt (Graafland, 2015).

De schoonheid van de schepping komt ook terug in Job 39-41. Als Job bij God gaat klagen, antwoordt God door Zijn grootsheid te tonen in de wonderlijke wereld van de natuur. De leeuw, de raaf, de berggeit, de wilde ezel, de wilde stier, het struisvogelvrouwtje, het paard en de gier worden als voorbeeld gegeven van het fantastische wildleven. Het laat zien hoe trots God is op Zijn schepping. Het impliceert ook dat God niet wil dat dit door de mensen kapotgemaakt wordt (Graafland, 2015). De dieren zijn er niet enkel en alleen om het leven van mensen te veraangenamen, maar zijn voor God een doel op zichzelf.

Adam en Eva eten van de
boom van de kennis van goed en kwaad,
geschilderd door Lucas Cranach de Oude. Bron: Wikimedia 

De mens is samen met de dieren op de zesde geschapen en tegen beiden heeft God gezegd dat zij vruchtbaar en talrijk moeten zijn en de aarde bewonen. Voor God zijn de mens en dier gelijk met elkaar. De een hoeft niet uit te groeien tot een plaag voor de ander (Verdonk, 2016). Beiden zijn tot eer van God geschapen en worden opgeroepen om God te loven voor de schepping (Ps. 148). Ook in de eindtijd delen dieren in de lofprijzing van God en Christus (Openb. 5:13). Bij mensen is die lofprijzing een bewuste uiting van eerbied aan God, bij dieren vloeit die lofprijzing voort uit het simpele feit dat ze er zijn als de schepselen van God. De mens moet dus meer doen om bij God in een goed blaadje te komen, de dieren zijn onschuldig en hoeven dus niks te doen als alleen zijn.

Ook de mens was ooit onschuldig totdat hij van de Boom van de kennis van goed en kwaad at. Daarvoor was de mens volmaakt gelukkig en at hij geen dieren. Dit geeft voer tot nadenken…

Write a Comment

Comment